Waarnaar verwijst het in: Hier is het boek. Het is nieuw.

Oqui
Eerst kijken en leren. Daarna speel jij het spel.
Verbind de kaarten
Bekijk de voorbeelden. Je kunt ze tijdens het spelen terugkijken.
Waarnaar verwijst zij in: Noor komt binnen. Zij lacht.
Waarnaar verwijst ze in: De kinderen spelen. Ze zijn buiten.
Waarnaar verwijst hij in: De fiets staat buiten. Hij is rood.
